Landheren
In de middeleeuwen kende het Zuid-Hollandse eiland Voorne-Putten twee Landheren: de Heer van Voorne en de Heer van Putten. De Heer van Voorne had zijn land in bruikleen van de Graaf van Holland.
In de 13de eeuw kwam een stuk land gevormd door wat nu bestaat uit de Langestraat, Voorstraat en Nobelstraat, voorheen eigendom van de Van Maarland familie, in handen van de Heren en Vrouwen van Voorne. Om het landgoed te ontwikkelen gaven zij stukken land aan particulieren, waardoor naast Maarland een tweede gemeenschap ontstond: Brielle.

Stad van aanzien
Brielle groeide in de 14de eeuw uit tot een stad van aanzien. In 1330 gaf Gerard van Voorne de burgers van Brielle stadsrechten. Zo werd er een bestuur en rechtspraak in het leven geroepen en kreeg de stad bepaalde rechten met betrekking tot de handel, zoals het recht op handel in vis, havenbelastingen innen etc. Ook kreeg de stad in 1338 van de toenmalig Heer van Voorne het recht op het bouwen van vestingwerken.
De adel zorgde voor vrede, veiligheid en welvaart in de streek. Ze regelde bestuur en rechtspraak, inkomsten verkreeg zij via een feodaal systeem van haar boeren en jagers, en van tol, belastingen en visserij.

Geestelijkheid
Naast de adel kende men in deze tijd nog twee andere standen: de geestelijkheid en de burgerij. De geestelijken werden gezien als de directe vertegenwoordigers van God op aarde. De meeste mensen hadden in die tijd het rooms-katholieke geloof. Het geloof speelde een belangrijke rol in het dagelijks leven.
Lang bestonden er in dit gebied twee aparte geloofsgemeenschappen met ieder een eigen kerk, die van Maarland en die van Brielle. De Sint Catharijnekerk (start bouw 1280) werd uiteindelijk dé kerk van het ‘nieuwe Brielle’; de twee geloofsgemeenschappen vergroeiden tot één.
Brielle kende in de middeleeuwen in totaal zeven kloosters. De nonnen en broeders namen soms deel aan het dagelijks leven. Zo zorgden sommigen bijvoorbeeld voor de zieken en begroeven ze de doden. Ook werd er bier gebrouwen. Anderen sloten zich volledig af van de samenleving.
Naast de kloosters waren er drie gasthuizen, waar reizigers, daklozen, zieken en ouderen welkom waren.

Visserij en handel
Een belangrijke inkomstenbron voor Brielle waren de visserij en de handel. De stad was het centrum van de haringvangst en -handel in het gewest Holland. Vissers verkochten hun waar in Brielle. De stad was een belangrijke doorvoerhaven naar het zuiden (via de Goote) en oosten (via de Maas). Vissers voeren naar de Noordzee, maar ook naar de Baltische Zee en het Kattegat. Omdat het varen in de Maasmond niet zonder gevaren was, liet Heer Albrecht van Voorne in 1280 twee vuurtorens bouwen om de vissers veilig de Maas over te leiden.
De succesvolle haringvangst zorgde naast welvaart ook voor andere industrieën in de stad: scheepswerven, touwmakerijen, zeilmakerijen, rokerijen, ankermakerijen en kuiperijen.

Verdedigingswerken
In de 16-de eeuw was Brielle uitgegroeid tot een stad met vier poorten en 22 verdedigingstorens. Deze middeleeuwse verdedigingswerken zijn in de 17-de en 18-de eeuw alle verloren gegaan toen de vestingwerken werden herbouwd en gemoderniseerd: in 1694 werd door de Staten besloten om Brielle van nieuwe verdedigingswerken te voorzien. Het ontwerp van de nieuwe vestingwerken was van de hand van vestingbouwers Willem Paen (die werkte voor de Staten van Holland) en Menno van Coehoorn (werkzaam voor de stadhouder en de Staten-Generaal).

In het museum ontdekt de bezoeker aan de hand van een interactieve presentatie meer over de stadsgeschiedenis van Brielle.